Het referentiekader als verinnerlijkte buitenwereld

Denken als verinnerlijkte buitenwereld

Vanochtend lag ik in bed in een toestand van wakker worden, die zich afspeelt voordat je zó wakker wordt dat je opstaat. Mijn aandacht ging heen en weer tussen de zichzelf op gang houdende, kabbelende gedachtestroom en de innerlijke toestand van mijzelf. Op gegeven moment trof ik mijzelf weer aan midden in de voortkabbelende gedachtestroom, de associatieve afwisseling van beelden en gedachten, en verplaatste ik mijn aandacht naar mijn lichaam, naar de waarneming van de innerlijke energetische heelheid waarin ik mij bevond. Op dat moment zag ik dat mijn voortkabbelende gedachtestroom, die zich binnen in mij afspeelt, eigenlijk een buitenwereld in mijn binnenwereld is. Een buitenwereld die zich binnen in mij afspeelt, een innerlijke buitenwereld.

Op het moment dat ik mijn aandacht op de energetische heelheid van mijn lichaam richt en ik daarin aanwezig ben, wordt het stil in mij. Ik word mij bewust van mijzelf en van de hoedanigheid van mijn aanwezigheid. In tegenstelling tot de situatie waarin ik aanwezig ben in de in mij voortkabbelende stroom van gedachten en beelden, die mij een voortdurende veelheid aan impulsen geeft waarop ik onbewust mij laat meenemen. De inhoud van de beelden en de gedachten doen er niet toe, die houdt zich niet aan voorschriften en kan naar alle kanten toe grenzeloos vormen aannemen. Maar als ik me mee laat drijven op deze niet aflatende stroom, ben ik los van mijn lichaam en heb ik geen contact met de energetische heelheid van mijn aanwezigheid, met de innerlijke toestand van mijzelf. Dat is wat de buitenwereld met mij doet, en dat kan blijkbaar binnen in mij ook.


Het gaat mij zoals gezegd niet om de beelden en gedachten zelf, maar om het gegeven dat mijn aandacht daarop richten gemakkelijker of vanzelfsprekender is dat het richten van mijn aandacht op de toestand van mijn innerlijke, energetische heelheid. Ik heb mijn bewustzijn nodig om mijn aandacht daar weg te halen en deze op mijn eigen innerlijk te richten. Ik kan niet eens zeggen dat ik mijn aandacht weg moet halen uit de stroom van gedachten en beelden in mijn hoofd, want er is geen sprake van aandacht. Er is eerder sprake van onbewuste aanwezigheid daar. Dus ik kan beter zeggen dat ik mijn bewustzijn nodig heb om mijn aanwezigheid te verplaatsen van mijn gedachtestroom naar mijn eigen innerlijk.

Het gegeven dat ik meer vanzelfsprekend aanwezig ben in mijn gedachtestroom dat in mijn innerlijke heelheid is een structuur in mijn referentiekader. Ooit heb ik de conclusie getrokken dat ik mijn aandacht beter op mijn buitenwereld kan richten dat op mijn binnenwereld. Dat heb ik zover doorgevoerd dat ik zelfs in mijn binnenwereld mijn aandacht eerder of sneller richt op de representaties van de buitenwereld in mijn binnenwereld – mijn gedachten daarover en beelden daarvan – dan op mijn eigen binnenwereld zelf.

 

Gestolde energetische structuren als verinnerlijkte buitenwereld

Maar het referentiekader bestaat niet alleen uit gedachten en beelden, die zijn slechts onderdeel van het referentiekader op het niveau van het hoofd. Het referentiekader zit ook in ons lichaam in de vorm van opgeslagen structuren, zowel energetisch als fysiek. Wanneer een energetische structuur zich vastzet in de fysieke structuur, kun je spreken van een gestolde energetische structuur. En die structuren zijn ontstaan in mijn – onze reactie op de buitenwereld en vormen in gestolde, vastgezette vorm de in ons lichaam verinnerlijkte buitenwereld – tenminste, zoals wij die waargenomen hebben.

Momenteel beoefen ik dagelijks Enjoy Self Awareness. Dit is een op het oog simpele oefening, die in de uitvoering in combinatie met de juiste regulering van de mind een behoorlijke complexiteit laat ervaren. In eerste instantie ervoer ik de oefening als een beweging in de ruimte, waarbij ik tegelijkertijd beweging én ruimte was, of beter gezegd alleen maar beweging en ruimte was. Maar naarmate ik de oefening langer doe, word ik mij bewust van een onbewuste invloed, die maakt dat ik me in mijn beweging inhoud. Terwijl ik met de voeten op schouderbreedte steeds afwisselde in een draai van diagonaal links naar diagonaal rechts terwijl ik met de armen voor mijn borst een qi bal vasthoud, werd ik mij bewust dat ik me in mijn beweging inhield voor iets aan de rechterkant, alsof daar iets stond waar ik tegenaan zou komen als ik de ruimte voor mijn hele draai naar rechts zou nemen. Ik werd me geen concreet object gewaar, maar even leek het voor mij alsof er een kast stond waarmee ik rekening hield. Ik werd me gewaar van informatie die mij zei in te houden, omdat ik anders ergens tegenaan zou komen. Maar er staat daar niets, want ik sta midden in de kamer met minimaal 1,5 meter ruimte aan alle kanten om mij heen.

Een aantal oefeningen later werd ik me opnieuw bewust van iets dat mij deed inhouden, iets dat me mijn beweging deed beperken. Maar nu bevond deze invloed zich in mijn ervaring achter mijn rug. Wat me inviel was de gedachte: ‘Ik sta met mijn rug tegen de muur’. Die uitdrukking wordt gebruikt voor situaties die een bedreiging inhouden en waarin maar een beperkt aantal bewegingen mogelijk zijn. Er was hier geen sprake van een letterlijk ‘met de rug tegen de muur staan’, maar er was sprake van informatie die een gegeven met hetzelfde effect bevatte.

Het innemen van mijn eigen ruimte is al mijn hele leven een thema voor mij, dus ik beschouw de hierboven beschreven ervaringen niet als nieuw, maar eerder als een bevestiging daarvan. Ik ben verwonderd over het feit dat een lichamelijke oefening met de juiste geestesgesteldheid dit effect kan hebben. Mijn oefening maakt me bewust van de vanzelfsprekendheid waarmee ik mijn bewegingen altijd ingehouden heb. Ik beschouw het feit, dat mijn lichaam die informatie loslaat tijdens de oefeningen, als het loskomen van een oude vastgeslagen structuur waarbij de informatie die daarin vast zat nu vrijkomt. Een gestolde structuur, waarin mijn oorspronkelijke reactie op de buitenwereld in het lichaam verinnerlijkt was, lost op en laat vrij wat daarin vast zat.

Geschreven door Henk van Straaten